De kwaliteit van 'Spooks' ligt in de handeling van het doden. Het ontnemen van iemands leven is er een veelkantig begrip en niet de simpele optelsom van vijand en dreiging. De dood als fysieke sensatie ('24', 'Prison Break') legt het hier af tegen de realistische ontleding van een fijnmazige en broze moraal. In de regel heeft een (Amerikaanse) serie waar anti-terreureenheden centraal staan een verstoord evenwicht tussen middelen en conclusie. Het afwenden van het onheil verloopt er (filmisch) langs complexe, gemanipuleerde beeldkaders en (narratief) via een inflatie aan kogels, wapentuig en personeel. 'Spooks' kent een andere configuratie. De serie laat zich beschrijven als een prisma dat naast het bestrijden van de georganiseerde misdaad ook ontnuchterend concreet de gevoelsgestoorde wereld van de MI5-agenten projecteert.
In 'Spooks' wordt elke vorm van geborgenheid brutaal herleid tot de bedelstaf. Het kleinste persoonlijk verlangen is er gewalst tot teleurstelling. Zelftwijfel en een inherent verdriet zijn er het dagelijks lot waaromheen de sensualiteit van de personages zich kristalliseert (vooral in de figuur van Danny Hunter, die het conflict tussen zijn verliefdheid en het MI5-protocol mooi ongekuist op zijn rol overplant). De matte, resonantieloze feitelijkheid van een hoogtechnologische geheime dienst staat er in schril contrast met de emotionele uithongering van zijn werknemers. Hoe ongemeen actief ze hun opdrachten ook afwikkelen, de strategie van het verbergen die ze privé en professioneel (moeten) huldigen, laat doffe sporen aan. Ze zijn bodemloos onderhevig aan zelfbestraffing en schuld. Vergeleken met die affectieve waanzin lijken hun taken zelf een doorzichtige conventie. De spooks houden zich louter staande dankzij een moedige ironie en een bittere overlevingsdrang. En tussen die polen ligt (in fictie als in de realiteit) steeds weer een wereld vol pijn.