Posts tonen met het label Raymond Chandler. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Raymond Chandler. Alle posts tonen

maandag 11 augustus 2008

The Big Sleep

Sedert zijn conceptie weigert de film noir slaafs de gangbare Hollywood-filosofie te volgen. De rechtlijnige plotconstructie met zijn duidelijke motieven verdwijnt ten gunste van een hybride actie, gevoed door ambigue karakters met een wankele persoonlijkheid. De mythe van de Amerikaanse held vol moed en plichtsbewustheid is in de film noir een vervallen hypothese; hij wordt in dit genre uitgehold door de sombere vertolking van een antiheld, een eenzaat zonder morele scrupules die slecht in het oog van de dood zijn kaarten op tafel legt. Maar de omslag is het meest afgetekend in het beeld van de vrouw: geen spoor meer van het maagdelijke, huiselijke type. De modale vrouw is in de film noir een troostprijs voor de nostalgicus. In haar plaats verrijst de femme fatale, een rechtstreekse afstammeling van De Sades Juliette die zorgt voor een diepe sensualisering van het geweld. Ze geeft aan het beeld een veel grotere adem en complexiteit en biedt een permanent gevoel van onbehagen.

Het openingskwartier van 'The Big Sleep' is toverachtig. Het leest als een oefening in stijl en verdorven elegantie, als glamour van de zelfkant. Minutieus volgt het de gevatte en golvende dialogen uit de roman van Raymond Chandler, die briljante chroniceur van de downbeat grootstad. Waanzinnig rijk aan details is dit een verhaal over het menselijk vlees: moord en bloed, zweet en seks (zelfs de orchideeën ruiken er als "the rotten sweetness of a prostitute"). De leefwereld is dirty: volgestouwd met heidense beloftes, referenties bij de vleet naar pornografie en resoluties die verdrinken in de goten van de felle, nachtelijke regen.

Tussen de schaduwen en de sigarettenrook ontvouwt zich de tweede noir film van Humphrey Bogart en Lauren Bacall als koppel. In 'The Big Sleep' heeft Bacall haar meesterschap gelegd. Ze is er de zusterziel van elke dagdroom, een ideaal verlengstuk op Bogarts sarcasme en zelfpijnigende humor. Geen dame met een doorgetrainde koketterie maar een actrice wiens onderkoelde charme een erg groot volume krijgt. Aangewakkerd door de context verleidt ze Bogart in een kat-en-muisspel, in een pirouette die tolt op het scherp van de snee. Liefde wordt in 'The Big Sleep' steeds doorkruist met een imminent gevaar. Kijken naar Bogey en Bacall geeft je het gevoel alsof twee kinderen in de achtertuin spelen met een geladen 8mm pistool.

De akelige sfeerzetting met zijn bizarre details, de korte maar spijkerharde vuistgevechten, de talloze moorden, het erotiseren van bloed en pijn, de moordenaar die zichzelf vergiftigt, de ondergrondse casino's en hun decadentie, het geheime leven van de dingen: allen borduren ze 'The Big Sleep' tot een mijlpaal uit de Amerikaanse filmgeschiedenis. Nooit zou film noir zich dieper boren in de beschrijving van een cynische, sensuele en verdoemde samenleving.

zondag 6 januari 2008

Murder, My Sweet

Film noir had nooit zijn volle signatuur gekregen zonder de figuur van Philip Marlowe. Het personage van hardboiled auteur Raymond Chandler vormt de poëtische kern van het genre, een spil van fatigue en melancholie waar mannelijk Amerika zich net na de oorlog zo makkelijk mee wist te identificeren. Als privé-detective is hij een solitaire cynicus opererend vanuit een gammel kantoor. Zijn humor oogt scherp en spitsvondig, maar in elk woord echoot de hartzeer. Een zaak neemt hij slechts aan in uiterste nood, louter omdat de dollarbiljetten zo zacht aanvoelen. Marlowe temt niet alles voor het nut maar is de som van trage, onontkoombare actie die zijn omgeving bekampt met de gratie van de zwaartekracht. En die omgeving glanst grimmig en somber. De cohesie is volledig zoek in Marlowes wereld; elk spoor leidt naar een nieuw verhaal en niets ontsnapt aan de onvermijdelijkheid der dingen: "This began as a simple story of blackmail, and all at once, things started to happen for no reason at all. No reason at all..."

In 'Murder, My Sweet' interpreteert Dick Powell het karakter van Philip Marlowe op verbluffend sterke wijze. Ofschoon geschoold als zanger en danser (met niemendalletjes als 'The Singing Marine' en 'Cowboy from Brooklyn' als hoogtepunt) capteert hij de persoonlijkheid van Marlowe intenser dan de adaptaties van Humphrey Bogart en Robert Mitchum. Kijken naar Powell is als het zien voortbewegen van een gletsjer die langzaam wegglijdt naar het onafwendbare. Hij acteert stijfjes en afstandelijk, op het houterige af. Dit is de Marlowe uit de literatuur in zijn pure, uitgebeende vorm.

Dankzij de regie van Edward Dmytryk ademt 'Murder, My Sweet' de mooie sfeer uit van een B-noir met de belichting en de fotografie als gangmakers van de intrige. De nacht en de stad zijn medespelers, vennoten in de ondergang van de personages. Dmytryck schept een wereld met een gloeiende kortsluiting, een façade waarachter niets meer naar behoren werkt. Een oogstrelende prelude op het latere pessimisme van Robert Aldrich, Orson Welles en Alfred Hitchcock.